proloog
Een verhaal van
Olivier Mak-Bouchard
Over het onstaan van de Luberon
Volgens de legendes was Onze-Lieve-Heer op de ochtend van de zevende dag moe van zijn zware arbeid in de Luberon, en besloot hij uit te rusten. Hij ging in de zon zitten en, zijn witte baard strelend, aanschouwde hij zijn werk: de aardkorst, het hemelgewelf en de sterren, de ontkiemende natuur, de man en de vrouw. Hij was best tevreden over zichzelf, maar toch niet helemaal voldaan: hij had het gevoel dat er iets ontbrak. Hij riep de Vier Elementen bij zich en zei hun: na het werk van deze week ben ik bekaf, ik heb geen ideeën meer. Ieder van jullie moet me een cadeau geven, een nuttig én grandioos cadeau, dat ik een plek zal geven in deze mooie streek waar we nu bijeen zijn.
Water, Lucht, Aarde en Vuur namen elkaar zwijgend op, zich afvragend wat ze daarop zouden kunnen antwoorden.
‘Waarom vraagt u het niet aan Adam en Eva? Zij zijn tenslotte de pronkstukken van de Schepping,’ zei de Lucht een tikkeltje spottend.
‘Ja, ja dat is het ‘m juist, ik vraag me af of ik daarmee niet een beetje de mist in ben gegaan.
Maar vooruit, Aarde, jij bent als eerste geschapen. Wat heb je in je mars?’
De Aarde stond op, staarde naar zijn voeten en zocht in zijn zakken. Hij zocht meer dan een minuut en keek toen naar Onze-Lieve-Heer, met een glimlach om zijn lippen, blij met zijn vondst.
‘Ik schenk het kalksteen. Dat lijkt misschien niks, het is geen marmer of diamant, maar het is sterk. Het is wit als sneeuw, het vormt uit zichzelf lagen, je hoeft het niet uit te hakken, het geeft van nature mooie platte stenen. Met kalksteen kunnen de boeren muurtjes stapelen op de hellingen, en terrassen aanleggen voor de landbouw.’
Er viel een stilte, Onze-Lieve-Heer kamde met zijn vingers door zijn baard: ‘Ja, kalksteen, dat is niet verkeerd, dat is nuttig. Maar als het gaat om pracht is het een beetje kleurloos. Laten we eens kijken wat de anderen hebben bedacht.
Het Vuur sprong haastig overeind om te laten zien wat het had bedacht in de tijd dat de Aarde met de billen bloot moest. ‘Ik neem de kalklagen ga er mooie vlammen langs laten likken. Ik stel het bloot aan alle kleuren die mijn vlammen kunnen aannemen, het purper en het scharlaken, het topaasgeel en het robijnrood, het groen van de glimworm en het petroleumblauw, en dat alles in kliffen, in loodrechte wanden en in aardpiramides. Ik geef het allermooiste cadeau: de oker.’
‘Kijk aan, daar hebben we pracht! Mooi, dat idee bewaar ik, dat lijkt me uitstekend.
Vooruit, Water, nu jij, laat me eens zien wat jij te bieden hebt.’
Het Water stond op, haar ogen schoten alle kanten op om de blik van Onze-Lieve-Heer te ontwijken. Ze zei niets en bleef stil. ‘Vooruit, we hebben niet de hele dag de tijd,’ zei Onze-Lieve-Heer.
‘Ik heb niets,’ zei het Water.
‘Hoe ik ook zoek, alles wat ik heb is ondergeschikt. Dat is het probleem in deze streek: er is hier geen water. De zee? Die ligt hier twee uur vandaan. Regen? Ik hoef maar een paar druppels te laten vallen en uw okers worden uitgewassen. Met die zon, denkt u dat er regen komt door ingrijpen van de Heilige Geest? Elk jaar zal het hetzelfde liedje worden, de ene droogte na de andere, niets in de zomer en niet veel in de winter. Ik zeg immers dat ik niets heb. Goed, er is morgendauw, maar als het gaat om pracht, stelt het niets voor. Als ik zeg dat ik niets heb, bedoel ik ook niets.’
Onze-Lieve-Heer is streng, maar hij is ook barmhartig. Hij begreep dat het Water echt had gezocht, echt niets had gevonden, en dat het beter was om haar niet verder op te jagen.
‘Goed, goed. We zullen nadenken en samen een oplossing vinden.’
De andere Elementen, die in de schaduw van een vijgenboom zaten, keken elkaar jaloers aan: Onze-Lieve-Heer antwoordde voor het Water, had die even mazzel. Ze zeiden bij zichzelf dat het niet eerlijk was, maar niemand deed een mond open.
Plotseling bedacht OLH dat er iemand nog niet aan de beurt was geweest, en wel degene die uiterst aandachtig zijn voeten zat te bestuderen.
‘Lucht, jij bent. Pas op: jij hebt tijd gehad om je voor te bereiden, ik verwacht veel van je.’
‘Ik heb in mijn buidel gekeken wat ik op voorraad had en zag dat ze in deze contreien al mooie briesjes hebben. Uit het noorden komt de Tramontane. Uit het oosten komt de Levant, zacht en vochtig. Uit het westen komt de Narboune.
Ik stel u voor aan mijn jongste, die onlangs is geboren, in een grot in de buurt van Burzet. ik heb hem Mistral genoemd. U wilde pracht, u zult niet teleurgesteld worden: het is een brutaal opdondertje dat bij vlagen harder gaat dan honderd km per uur. Hij heeft een karakter om alles en iedereen van de sokken te blazen, hij doet de gekste dingen. De mensen zullen dol op hem zijn of hem haten, maar ik kan u verzekeren dat ze hem zich zullen herinneren en hij zijn sporen zal nalaten. Als wolken gaan samenpakken boven Mourre Nègre, zal de Mistral opsteken om ze op de vlucht te jagen: met hem schenk ik een immer blauwe hemel, een stralend licht en schitterende kleuren.’
‘Dat is geen gek idee, een altijd blauwe hemel. Dat maakt het kalksteen witter en de okers roder.
Dat bevalt me,’ oordeelde Onze-Lieve-Heer.
‘Ja, maar toch, er is iets wat me zorgen baart,’ hernam Onze-Lieve-Heer. ‘Zeg eens Lucht, met jouw Mistral die alle dagen gaat waaien, is er dan niet het gevaar dat de mensen beneden compleet mesjogge worden? Als hij zo verschrikkelijk is als jij zegt, zal hij van geen ophouden weten en loopt het beroerd af.’
De Lucht gaf geen antwoord, hij was uit het lood geslagen. Een minuutje later nam hij weer het woord: ’U hebt gelijk, daar had ik niet aan gedacht.
Ik stel u het volgende voor: De Mistral mag blazen zo hard als hij wil, maar alleen in opeenvolgende reeksen van drie dagen. Eén, drie, zes of negen, langer niet.
Laat me het uitleggen: als de wolken aanstalten maken om boven de Mourre Nègre te blijven hangen, als ze hun spiralen beginnen uit te rollen, dan heeft de Mistral het recht om te waaien. Hij mag blazen, maar let op, zachtjes aan. Dan zullen de mensen het mistralet noemen. Als de wolken na een dag niet verdwenen zijn, dan heeft de Mistral het recht om harder te blazen, tot aan het einde van de derde dag. Als ik zeg harder, bedoel ik met rukwinden en windstoten. Dan zullen de mensen hem de raubacapèu (hoedenlichter) noemen, want hij blaast hun de mantels van de schouders en de hoeden van het hoofd.
Als aan het einde van die drie dagen de wolken er nog altijd zijn, dan mag hij gedurende drie extra dagen zijn gang gaan. Dan zullen ze hem de mistralas noemen: dan is hij sterk en boosaardig, en moeten de mensen thuisblijven, met de luiken dicht, gedurende de tijd dat hij zijn vuile werk doet. Als aan het einde van deze in totaal zes dagen het mooie weer nog altijd niet is teruggekeerd, dan mag de Mistral uit alle macht blazen, dan heeft hij vrij spel tegen de wolken voor nog eens drie dagen. Aan het einde van deze negen dagen zal de blauwe lucht beslist zijn teruggekeerd. En dan zullen de mensen de Mistral bij zijn adellijke titel noemen, zijn volle naam, de naam die wordt aangekondigd in antichambres en die deuren opent: ‘de broufounide-mistrau.’
Eén, drie, zes of negen: de Mistral zal goed met zijn tijd moeten omspringen, zo gaat hij het doen en niet anders.’
Onze-Lieve-Heer reageerde niet, overwoog het voorstel in stilte. De Vier Elementen keken naar hem en zagen hem wikken en wegen.
‘Prachtig, prachtig. Nu geloof ik dat we iets hebben. Ja, met die regel van drie, zes of negen denk ik dat we het bij het juiste eind hebben. Met dat kalksteen, de oker, de Calavon en nu die Mistral, ja, dat begint ergens op te lijken,’ dacht hij hardop.
‘Dat de Luberon er weze,’ beval de Schepper.
En de Luberon was.






